TRACK DAY 2017 - Every inscription (+ payment) done in MAY 2017 will participate to a lottery. One of the participants will get his participation fee (car + driver) refunded. Inscription form for the Track Day, see 7RCB Track Days - ... Track Day 2017 Practical info ... the form is at the bottom of the page

back to ART Corner

back to Painters & Sculptors

 

Camille D'HAVÉ

°1926 - 1980 

Camille D’Havé werd geboren in het volkse Gentse Patershol op 01 mei 1926. 
Hij groeit er op in erbarmelijke omstandigheden. Hij vecht keihard voor zijn bestaan.
Desondanks ziet hij de kans om studies aan te vatten aan de Koninklijke Gentse Academie. 
Spraakmakende leraars zoals Jules De Sutter, Hubert Malfait en Jos Verdegem worden zijn leermeesters.
Het is vooral Jos Verdegem, die in soortgelijke omstandheden als hijzelf opgroeide, die een belangrijke rol zal spelen in zijn leven.
Camille voelt zich in het bijzonder aangetrokken door de schilderkunst. Grote meesters zoals Pieter Breugel de Oude en Jeroen Bosch beïnvloeden hem het meest..

Het oeuvre van Camille D’Havé is figuratief en uitermate expressief. Men kan het echter niet als expressionistisch oeuvre catalogeren, want zijn personnages worden natuurgetrouw en nauwkeurig op doek gebracht, met veel oog voor de details van de diverse lichaamsdelen.
De mens wordt er weergegeven "as is", zonder diens anatomie te vervormen.
Doch, door de toevoeging van onbestaande objecten creëert hij uit zijn brein ontsproten schepsels, half dier, half mens. Dit resulteert in een "fantastiche" sfeer in zijn oeuvre.
De meeste van zijn werken bevatten een boodschap of beelden een verhaal uit.

 

  Camille D'Havé 10                   Camille D'Havé 3

 

Hierna volgt de integrale tekst, in 1971 geschreven door Jo Verbrugghen voor het boek
- Aleph Monografie nummer 6 - Camille D'Havé - uitg Henry Fagne.
Dit boek werd uitgegeven op slechts 400 exemplaren, naar aanleiding van de tentoonstelling die de schrijver organiseerde voor Camille D'Havé in de galerij Kaleidoscoop te Gent.  

 

 

Camille D'HAVÉ

 

Ondanks zijn ontzettende eerbied voor de schilderkunst en voor het schilderkundig metier is voor Camille d'Havé de kunst nooit een einde op zich.

Voor hem is schilderen een noodzaak, even noodzakelijk als ademen, eten, drinken, slapen of liefhebben. Schilderen is voor hem, als schilder, het best aangepaste middel om zich te verwoorden, de meest bruikbare taal om zich op directe en desnoods arrogante wijze te uiten, om blijk te géven van zijn onmacht of zijn verontwaardiging, van zijn sociale ingesteldheid. Geen schilderkunst kan voor hem bestaan zonder wezenlijk engagement. Elk schilderij is een nieuwe monoloog, zegt hij, een monoloog die ooit, hoopt hij, een dialoog wordt.

Schilderen is middel om kontakt te houden met zichzelf en met de buitenwereld.

Zijn werk steekt vol beelden, vol associatieve begrippen, zijn wereld is chaotisch maar hij is alles behalve een esoterische eenzaat die zich onledig houdt met holle of hermetische beeldspraak, zelfs al is de leesbaarheid van elk werk niet steeds even gemakkelijk te achterhalen.

Voortdurend klaagt hij de wantoestanden aan die hem en ons beroeren, reageert hij zijn revolte en zijn verontwaardiging af tegen oorlog, honger, onleefbaarheid, wreedheid of ellende.

Hij schildert om onze onverschilligheid en onze laksheid te doorbreken. Wij zijn immers aan alles gewoon geraakt. Dagelijks lezen wij in onze kranten gruwelverhalen over oorlog in Vietnam, over napalm en ontbladering, over hongersnood in Biafra, Pakistan of Zuid-Soedan, over terreur, over gevangenissen in Bolivië, Indië, Jordanië of Amerika, over mensen die sterven aan cholera of ondervoeding, over onrecht, over waterbezoedeling en de voortdurende vergiftiging van onze omgeving.

Bij het ontbijt biedt de krant ons het beeld van een jonge Pakistaanse moeder met een uitgemergeld kind dat sterft van honger, van gevangenissen waar men gevangenen en gijzelaars afslacht, van soldaten die vóór het oog van de reporter en vóór de lens van de camera koelweg een krijgsgevangene neerschieten. Maar geen beeld beroert ons langer dan een ogenblik. Wij lezen de krant, lezen het stripverhaal, slurpen koffie en eten verder brood met ham of kaas.

Tegen dié laksheid, tegen dié onterende onverschilligheid, tegen dat gebrek aan menslievendheid wil D'Havé als schilder reageren, wil hij in en door zijn schilderijen beelden brengen waarvan hij de spanning en de zeggingskracht verhoogt. Hij brengt geen gruwel, geen bloed, geen sentimenteel miserabilisme.

Op het thema 'Biafra' schildert hij doeken waarin geraamten, grijnzende schedels en brokstukken tuig een indruk van verlatenheid, van onmogelijkheid, van onzinnige wreedheid verhogen die geen reportage mogelijk maakt.

 

  Camille D'Havé 5     Camille D'Havé 6

 

Zoals hij het zelf verwoordde in een interview (met Roger Serras in de Vooruit te Gent op 2 juli 1970):

"Eerst wil ik verklaren dat ik niet geloof in de schilderkunst als zodanig. Ik geloof niet dat schilderen kunst is.

Schilderijen die kloten hebben verraden steeds een mens die geëngageerd is? Voorbeelden genoeg: Goya, Breughel, Bosch, Rembrandt, Van Ģogh.

Spanningen van extrapikturale aard: menselijk engagement van allerlei aard, maar altijd herkenbaar. Hiroshima, Vietnam, Kongo, Biafra.

Wij eten en doen gewoon verder wat wij daarvoren deden. Dat onmogelijk gevoel uitbraken, zich degageren, dat is de betekenis van mijn boel. Een gemoedsontlasting. Alles rondom u zien verwoesten door blinde vernielzucht.

Wij verpesten ons levensklimaat.

Wraatzucht, heerschappij over de dingen, god-de-vader-mentaliteit: beslissen over leven of dood. Vandaar dat men gaat denken: ik ben misschien zelf ook een smeerlap.

Ik heb een aflaatklep nodig die moet beletten dat ik erger zou worden dan de anderen, daarom schilder ik. Men moet zich kunnen ontdoen van dingen die anders het leven ondraaglijk zouden maken. De humor van mijn schilderijen is een soort van zelfspot. Zoals de vent die in de muilentrekkersspiegels naar zichzelf kijkt, hij is langer of dikker, terwijl hij heel weet wat zijn misvorming is."

Wegens de bevreemdende elementen en de moeilijke leesbaarheid zal men zijn werk gemakkelijk inschakelen in de richting van het surrealisme. Voor hem echter is alles gewoon, normaal in zijn fantastische verwoording. Hij acht het nodig beelden op te stapelen, spanningen teweeg te brengen tussen beelden die ogenschijnlijk elk verband en elke binding ontberen omdat hij overtuigd is van de noodzakelijkheid door details, omschrijvingen, ontledingen te schokken, om door de tover van de bevreemding een dialoog of een begin van begrip teweeg te brengen.

 

Het fantastische element kenmerkt zich door een brutale breuk van het uitgebeelde met datgene wat wij gewoonweg als gangbaar aanvaarden. De logica en de orde, althans datgene wat zo in de dagelijkse taal heet, stellen allang geen problemen meer. Wij aanvaarden de evolutie van rups via pop naar vlinder. Uit het zaad wordt een plant of een boom geboren waaruit men planken en balken snijdt om meubels te bouwen of het gebinte van het huis. Maar wanneer een schilder één tussenelement wegneemt en een man schildert die de binnenkant van een tronk bewoont met de kruin van de boom als een open dak boven zijn hoofd, dan staat dit de logische ordening en de gewoonte van onze visie in de weg. Voor Camille D'Havé zijn dergelijke verwoordingen normaal, dragen zij een eigen, intrinsieke logica. In een glazen vaas staat een ruiker, waarin de bloemen vervangen werden door menselijke hoofden, die groeien of verflensen. Uit een hardgekookt ei, in een eierdop, wordt een engel geboren. Een sekse ligt huiselijk in een bord tussen lepel, mes en vork terwijl een vogel met een kinderhoofd bedremmeld, dromend, toekijkt.

 

    Camille D'Havé 9          Camille D'Havé 8

 

Het fantastisch element breekt af met de natuurlijke ordening der dingen, met de logische opeenvolging en het zinnig verloop der feiten, met de van oudsher aangeleerde gewoonten, met de vertrouwde alledaagsheid van de zichtbare werkelijkheid. De fantasie onthutst, verbouwereert. De op hol geslagen verbeelding van de schilder brengt een naar gevoel van wrevel, ze ontstemt en betovert; ze brengt onrust of angst en een gevoel van vreugde om de dichterlijkheid van de ontdekking. Soms trouwens is de werkelijkheid even fantastisch als de verbeelding. Is een veld vol oren of een versteende, nachtelijke stad geheimzinniger dan de ondoordringbare wouden in Zuid-Amerika? Het is niet de verbeelding zelf, maar het ongekende dat ontroert en onthutst. Voor iemand die voor het eerst in een grot afdaalt en het spektakel ziet van stalagmieten en stalagtieten die elkaar vervoegen, roept dit beeld de associatieve verrukking op van orgels of onderaardse kathedralen, en zal de ruige wildheid van een woestijnlandschap vol stenen op een ontzagwekkende puinhoop lijken, of op de resten van een stad die als het ware door een bende reuzen moedwillig werd verwoest.

 

De fantastiek blijft vanzelfsprekend een onherbergzaam gebied, het gebied van de 'onheimelijkheid', van de angst, van de ongezelligheid. Het begrijpen ervan vergt begrip voor de dromen, voor al hetgeen door de rede niet nader te verklaren is en het menselijk meesterschap bedreigt of ontzenuwt, meesterschap dat wij in onze hoogmoed menen te bezitten over de verborgen krachten van de natuur. Niet alles is door ratio te achterhalen. Niet alle beelden vergen een logische uitleg. Wanneer D'Havé de twee helften van een peer op ragfijne manier naschildert en aan de binnenkant van elke helft een weemoedig gelaat uitbeeldt, ontstaat in dat dubbelbeeld een niet te achterhalen milde betovering van een onzegbaar heimwee naar liefde, streling en zachtheid. Alles lijkt chaotisch; toch is niets lukraak geschilderd. Niets wordt aan het toeval overgelaten, al wordt de ordening ons niet nader verklaard. Elk beeld draagt de verhelderende preciesheid van zijn schragende inhoud. Elk detail houdt zijn betekenis, zijn zegging, zijn waarde.

Als schilder verwoordt Camille D'Havé een persoonlijk, vergeestelijkt, soms weemoedig universum dat hij moeizaam, schilderij na schilderij opbouwt en waarin hij de grillige beelden overbrengt van een innerlijke ten top gedreven beroering.

Zijn wereld is een zorgvuldige uitbeelding van een bijna altijd parodische of sarcastische bedoelde ingesteldheid, een opeenstapeling van telkens in andere associatieve beelden herhaalde gedaanteverwisseling van de werkelijkheid die hem en ons omgeeft. Hij zegt, hij verwoordt, hij maakt zichtbaar. Hij schildert zich uit in een vermenigvuldiging van beelden tussen dewelke hij spanningen en relaties oproept: een ledepop achtergelaten midden een hoop zwijnen, niet langer nieuwsgierig dan een schrokkige verstrooing; een olifant die ergens aan een straathoek op een puinhoop staat en het zielige gedoe dat zich voor hem afspeelt onbegrijpend gadeslaat; een stadszicht bij nacht met een bleke, roze renner die als een ijlbode door de lucht koerst; een hybride vogel, eenzaam in een heuvelend landschap vol oren.

D'Havé zoekt geen fantastiek. Hij is geen maker van kunstmatige of stelselmatige composities. Integendeel, voor hem is zijn wereld als het ware natuurlijk. Alles lijkt normaal, spontaan, opgeweld uit een associatief ingestelde verbeelding. Hij is zijn beeldenvocabularium meester en schildert zichzelf uit en zijn dromen, zijn angsten en zijn onverzadigde gewelddadigheid, zijn bekommernissen en zijn drang naar rust en evenwicht. Hij schildert de wereld aan deze zijde van de drempel. Voortdurend schildert hij de binnenkant van zichzelf. Hij schildert zijn wildheid en de zachtaardigheid van zijn heimwee, de rauwheid van de wereld en de verlokkingen van zijn wensdromen, zijn elders, zijn oorsprong en zijn einde. Hij schildert de droefheid, de verdrukking, de liefde, de bronstige sensualiteit en de streling van een zoete, vergetende omarming. In zijn universum is alles vergaard. Hij scharrelt de beelden samen uit de belt van ons bestaan. De aarde is zijn hemel en zijn hel. Zijn doeken zijn wrede, bevreemdende en tegelijk goedaardige, tweeslachtige scheppingen van goed en kwaad, vol kwetsbare en onwennige monsters die hij vatte in de zachtheid van hun slaap of in de vereeuwigde rust van een onontkoombare dood. Alles is durend verstard. De gestalten hebben de kleur en de hardheid van het pleister. Niets is nog langer gaaf. Zijn wereld is een wereld vol puinen.

 

                       Camille D'Havé 1

Hij schildert het begin en het einde. Geen ander schilder vóór hem is er in gelukt op zo'n indringende wijze de doodstrijd, het ogenblik zelf van de dood uit te beelden, de bijna onmerkbare overgang tussen bestaan en onbestaan. Een zielig, gevleugeld wezen - engel of vrouw, om het even - sterft, de blauwe vleugels gevat in de beknelling van een overgroot stenen gebit. In één enkel schilderij dramatiseert hij de hachelijke désolatie van het allerlaatste ogenblik. Hij verhaalt niets, hij beschrijft niets, hij suggereert geen pijn, geen sage, geen anekdokte. Wij weten niets over de vogel of het gebit (de tand des tijds wellicht die niemand spaart) over de dreiging, de logica, de straf of het toeval. Hij toont. Hij maakt één enkel toneel zichtbaar en samen met de blauwe vogel sterft in ons iets van ons heimwee.

 

Zeker, als schilder, als kunstenaar, is Camille D'Havé een zonderlinge, eigenaardige, niet te vatten figuur. Hij heeft een ongebreidelde verbeeldingskracht en een ontzettende vaardigheid. Hij durft alles aan en schrikt voor geen enkele verwoording terug. De hele "comédie humaine" schakelt hij in zijn schilderijen in. Met een ontstellende klaarheid, met een anatomische helderheid beeldt hij alles uit: zijn geloof en zijn hoop, zijn revolte en zijn onmacht, de orde en de chaos. Voortdurend is hij bekommerd om de problemen die tijd en omgeving bepalen: gruwel en liefde, oorlog en bezinning, honger, ellende, eenzaamheid. Hij schildert de zachte voosheid van het heimwee, de dichterlijke sublimering van een hybriede figuur, het grillig spel van een school vissen, maar ook Biafra en de kwelling van mens door mens.

Hij schildert een paar dat zijn bronstig liefdesspel in een latrine verbergt en de eenzaamheid van een mens die even wanhopig als nutteloos zijn verlatenheid uitschreeuwt en zijn vrees voor de nacht. Hij schildert de zachtaardigheid van een dansende figuur, de innigheid van een omarming en de koele wreedheid van de haat, het uitbundige geluk van een vader om de geboorte van een kind en de trage dood van een tedere geliefde. Tussen alles bestaat een verband. Niets is eenvormig goed of eenvormig kwaad. De associaties roepen nevenbeelden op die elkaar aanvullen, verrijken, bepalen. Elk beeld roept andere beelden op die hij moet ordenen in een bedwongen compositie. Hij houdt niet van grote "gestes", zoals hij dit noemt, die de leesbaarheid zouden afremmen door een massa vraagtekens, die hun oorsprong vinden in onkunde, slordigheid, technische onvolmaaktheid of die een gebrek aan inzet verraden. Geen maat voor niets. Alles heeft een betekenis.

Hij schildert uit noodzaak. Geen beeld zonder zegging, zonder inhoud. De vorm is bijzaak en moet het afleggen tegen de rijkdom van inhoud en verwoording. Er is geen verhaal, geen andere uitleg dan de schilderkundige, geen andere uitkomst dan het schilderij. Hij maakt zichtbaar.

Eerder dan een filosoof die vage, ideeën zou pogen te omschrijven is hij eenvoudig een robuuste, uitgelaten schilder van het probleemvolle leven van onze tijd. Zijn werk is zachtaardig, goedmoedig en tegelijk is het gevuld met de groteske beelden en met de schrikwekkende gestalten van dood, pijniging, droefheid en ellende.

Hij schildert de levenslust en de levensmoeheid, samen in hetzelfde doek. Hij is hedendaags zeker, en toch is zijn werk een arrogante mengeling van moderniteit en bizarre, archaïsche vormen. Alles wordt stelselmatig vermengd. Hij kent geen grenzen; hij aanvaardt geen moraal, geen axioma's, geen opgelegde orthodoxie.

 

Zijn universum is een amalgaam van goed en kwaad, van zachtheid en sarcasme, van humor en verschrikking, van ingetogenheid en exhibitionisme. Hij eerbiedigt en hij lastert. Elk geloof is een ketterij. Het leven is terzelvertijd kwaal en opperste geluk. Vanzelfsprekend kan men deze werken ook langs freudiaanse normen benaderen of verklaren. De sexuele symbolen liggen voor de hand. De aan elkaar gehechte oren roepen de uitbeelding op van vrouwelijke geslachten. Geile demonen ontstaan uit de hybridering van plant en mens en dier en mineralen. Zijn universum is een mengsel van lelijkheid en van verrukking, waarin de schepping onophoudelijk wordt herbegonnen, waarin de monsterachtigheid tot een zeldzame, schilderkundige waarde werd verheven, om ingeschakeld te worden in een geheel dat treft door zijn aristocratische perfectie. Soms is hij gewild brutaal, obsceen, scatologisch; soms schildert hij de naakte feiten, een boertig tafereel van een man die met zijn hoofd in een ton ongegeneerd zijn blote flikker toont; of de uitbundige vreugde van een zielsgelukkige vader die naakt en uitgelaten op zijn hoofd gaat staan vóór zijn pasgeboren kind. Brutaal of obsceen, om het even, alles is geschilderd met een ontstellende gevoeligheid, met een ontzettende eerbied voor zijn kunst, met een zachtaardige strengheid die alles sublimeert en elk beeld aan zijn vergeestelijking verbindt. Geen humor, geen sarcasme vermag de verborgen angst te milderen, zijn medevoelen te verdoezelen met mensen rondom hem. Geen poëzie vermindert de onherbergzaamheid van de gewesten die hij schildert, van de kamers die hij uitbeeldt en waarin alles gebeurt. Alles is mogelijk in de gekgeslagen wereld waarin wij verplicht worden te leven en te paren. Zijn werk verbijstert, onthutst.

Het maakt de katastrofe zichtbaar waaraan de werkelijkheid ten onder gaat.

Hij houdt ons de beelden voor van onze nakende dood. Er is geen uitkomst, geen ander einde. Ondanks de ontzetting van zijn boodschap, ondanks de realiteit van zijn pessimisme is altijd de ontroering aanwezig en drukt de kracht en de arrogante zorgvuldigheid van zijn uitbeelding het medevoelen uit en zijn sociale ingesteldheid.

Hij weet: de dood is overal. De dief in de nacht leeft binnenshuis. Wij beleven de verschrikking van onze angst.

 

                 Camille D'Havé 11 

De kringen worden gesloten. Wij kunnen hoogstens de ogen sluiten of kijken naar elders. Soms wordt de onverschilligheid een noodzaak, een vervalsende deugd: het verliefde paar kijkt elkaar in de ogen, onverschillig om de wereld die in een niet nader bepaalde dorheid is versteend.

Sterven is enkel even de grenzen verleggen. Hoop en rust zijn verdwenen. Liefde ook is ijdelheid. Alle elementen uit zijn wereld zijn herkenbaar.

Hij schildert de bestaande vormen die hij uit de werkelijkheid rukte feilloos, getrouw, gewetensvol na: het zwijn, de tafel, de kippen, het oor, de vogelvlerken, de vissen, de hond, de schedel, het speelgoed, maar net als Alfred Kubin het in zijn tekeningen deed, schildert hij "Die andere Seite", het onbekende, het onheilspellende dat ons en hem omgeeft.

Hij leidt ons aan de andere zijde van de spiegels. Alle domeinen zijn onwerkelijk, onmogelijk, gegroeid uit de verbeelding, de herinnering, de angst. L'imagination est au pouvoir. Alles is gekend en vreemd, verwant en gevaarlijk. Overal liggen de strikken gespannen voor onze nieuwsgierigheid, liggen de angels die onze argeloosheid ver­wonden. Zijn wereld is er een van gesteenten, van pleisteren gestalten, een universum waarin alles is versteend. De huizen zijn niet langer bewoonbaar. Het landschap is verstard en laat geen ontmoeting toe. Alle wegen lopen dood. De woestijn ligt vol geraamten en vol stukken uitgeroest schroot. Voortdurend objectiveert D'Havé de wereld van zijn dromen, de wilde verschrikking van een nachtelijk geheim.

Wij zijn even ontdaan, even onmachtig als hij, maar ook even medeplichtig, deelachtig in de onrust van een bijna fotografische perfectie.

 

Het meisje met lange, wuivende haren loopt de beelden voorbij, bevreesd, hopeloos, de meewarige gevangene van een labirint dat zich herhaalt en waaruit geen ontsnapping mogelijk is. Icaros viel als een ledepop in een vuilnisbelt. De muur is een waanzinnig agglomeraat: een pleisteren gisant, torsos zonder armen, een stenen leeuw, een koppel vergeten paarden, een spreker zonder stem, allen gehuld in een gelijkmatige onverstoorbaarheid. Zijn beelden zijn gevangen binnen de onhuiselijke bevreemding van schaduwen zonder oorsprong.

Is het drama in ons of elders? Elke kennis roept andere vragen op; uit de bolsters breekt nooit een oplossing. Onder de oppervlakte van het stilstaand water waarin de rotsen zich weerspiegelen, even van het strand verwijderd, wordt een ongekende wereld zichtbaar, met vissen, planten en drenkelingen, die met open mond happen naar het wegdeinende leven.

Alles is troosteloos binnen de onherbergzaamheid van lege kamers. Niemand kan leven midden de padden en de eier- schelpen waaruit een engel naar geboorte zoekt.

Op de tafel zitten twee geliefden, elfen of fruit, om het even. De hoofden die de trap afdalen zoeken verwonderd en argeloos een onbereikbare huiselijkheid. Alles gebeurt binnenshuis, in kamers, op een binnenplein, in een welomlijnde, architecturaal vertrouwde ruimte. Alles is mogelijk. Alles gebeurt, ook het ongekende.

De katastrofe kleeft aan onze huid. De man staat naakt en kwetsbaar met uitgespreide armen tussen een bende vrouwen. Hij is anoniem en draagt geen aangezicht.

Niet alle vrouwen zijn even waanzinnig, bezeten door een ontembare drift die hen tot geile daden dwingt en tot de onzinnige verkrachting van een man die weigerend en koel als een pleisteren beeld staat, roerloos in het midden van de leefbare ruimte.

Soms is de vrouw een meisje, een lief en minzaam speeldiertje, ontstellend heet en onbeschaamd, dansend op de tafel met de dode vogels om haar heen.

De schilder staat vóór het schilderij, onmachtig, even vreemd als de toeschouwer. Hij zoekt de wereld, het leven te veranderen, de radeloze gang van onze evolutie naar onbewoonbaarheid te stuiten.

Revolte is meer een ingesteldheid dan een daad. Hij schreeuwt in kleuren en beelden. Hij roept, uitzinnig; woorden zonder echo. Hij kent zijn onmacht. Hij heeft de herfst van zijn lente bereikt en kan nog enkel dromen en zijn dromen uitbeelden.

 

           Camille D'Havé 2

 

Het meisje op de tafel, mollig, bronstig, warm, schreeuwt om liefde en danst. Allang heeft zij de milde sluiers van haar schroom verworpen. Zij danst maar niemand nodigt haar uit tot het verhoopte wilde en lijfelijke gevecht. Geen tweespraak is mogelijk.

De woorden hebben hun zeggingskracht verloren, zijn hermetisch, onverstaanbaar voor de anderen. Allen leven wij binnen de begrenzing van onze schelp.

Enkel de dichters geloven in illusies als de meeuw in de werkelijkheid van een papieren vogel.

De lucht is leeg. Waar liggen de grenzen tussen leven en droom, tussen waan en beeld? Elke illusie laat de bittere nasmaak van een nieuwe ontgoocheling.

Het veld ligt vol geraamten, vol jukbeenderen, vol schedels en afgevreten borstkassen. Biafra, mon amour. Of Hiroshima. Elk begrip is vervangbaar. Vietnam, Bolivie, Congo, Soudan, Jordanie, Pakistan.

 

De einder ligt vol stalen karkassen, stukken tuig, resten van vernielde pantsers. Er is geen leven meer, geen honger, geen ellende, geen ontzetting. Er is nog enkel de dood, de vergetelheid.

Een wee gezang wordt onhoorbaar in de wind die weldra het schroot tot stof verstrooit. Elke beschaving mondt uit in een puinhoop.

 

De oorlog, de victorie: de onthoofde vrouw als een beeld van Samotraké zit als een ruiter op een ontzettend grote kip zonder kop. Achter haar, in stoet, de gedrochten, de gebochelden, de kreupelen, de gebrekkigen, de monsters die de mens in zijn wanhoop oproept.

Elke oorlog is een broedermoord, elke overwinning een nederlaag.

Wie kraait victorie in het huis waar doden liggen?

De kamer is leeg, bevolkt met pleisteren beelden: een hond, een gekke dubbele maan die iemand uitsneed uit karton, een kruisbeeld, een man in zijn tuin, een bolhoed op een hoopje wervels, een open mond en ertussen een pasgeboren kind dat schreit, kwetsbaar, het enige spoor dat op de aanwezigheid van het leven duidt.

Wie kent de leefbaarheid der dingen, de kwetsbaarheid van onze waanzin, de rauwheid van onze ontembare begeerten? Alles gebeurt in de stilte van een rotsachtige woestijn. Het meisje hurkt neer, argwanig, ongelovig, zwijgzaam.

Ze ziet toe, onwennig om de zachtheid van een geboorte midden de onherbergzaamheid die haar omgeeft. Wie houdt de macht in handen? Wij kijken naar boven en zien enkel een hand en het suikertje dat tot gehoorzaamheid en deemoed dwingt. De wanden zijn doorzichtig. De wanhoop noopt naar tederheid.

 

               Camille D'Havé 4 

 

In de ongewone wereld is elke ontmoeting mogelijk. De verbeelding laat de schepping toe van monsters die zonder organische binding en zonder enige zin voor rationaliteit geboren worden. Telkens opnieuw gaat de schilder het gevecht aan tegen de onzinnigheid van een hem opgelegde schepping.

Moedwillig dienen wij onze oorsprong te verlaten, de binding te verbreken die ons aan de zinloosheid van de omgeving verbindt.

De nieuwe relaties vervangen het oude, niet langer bruikbare verband.

De schilder zal andermaal de bindingen rechvaardigen die ontstaan zijn uit zijn innerlijke noodzaak. De beelden zoeken een nieuw evenwicht, een nieuwe ordening.

Er zijn geen grenzen meer. Er is geen verschil meer tussen waarheid of leugen, tussen zachtheid en drift. Kunst en schoonheid worden uit de verrukking geboren.

 

Camille D'Havé ontkent een surréalist te zijn.

"Ik ben absoluut geen surréalist, zei hij in het recent intervieuw. De maatschappij zoals ik ze onderga is veel surréalistischer dan mijn schilderijen. Al de anderen zijn surréalisten; kijk naar de manier waarop ze leven; ze stappen in een auto en worden auto. Die stoel onder die boom is gemaakt uit het hout van een boom. Vandaar het denken en weten over boom en stoel gekoppeld: het levenverhaal van die stoel zit in die boom. Is dat surréalisme? Daartegenover een plant in een bloempot, dat is je reinste surréalisme; het is surrealistisch omdat de plant en de pot niets met mekaar te maken hebben".

 

In feite is het probleem, te weten of zijn werk al dan niet in deze richting dient te worden ingeschakeld, bijkomstig. Zijn ontkenning tot het surréalisme te behoren is absoluut. De ontkenning van Paul Delvaux is het eveneens en nochtans wordt diens werk sedert lang met die richting vereenzelvigd. De binding tussen de wereld van Delvaux, die van Magritte en de wereld van D'Havé is vanzelfsprekend, zoals even duidelijk invloeden van Bosch en Breughel en Redon zijn te onderkennen. Hij is geen surréalist in die zin, dat hij nooit de orthodoxie van de richting die Breton voorstond heeft aanvaard. Zegging en vormentaal zijn ontegensprekelijk verwant. En ook de overwegende rol die aan de verbeelding wordt voorbehouden.

Maar D'Havé gaat verder dan de bevreemding.

Margritte bereikte de "onheimelijke" verukking door beelden naast elkaar te plaatsen die ogenschijnlijk niet het minste verwantschap vertoonden: een tuba, een wolk, een leeuw, een blad dat tot boom is gegroeid, een niet langer ondoorzichtbare deur, een rotsblok die niet meer onderworpen is aan de wetten van de zwaartekracht en in de lucht blijft zweven D'Havé spitst de revolte die bij Magritte aanwezig was nog dichter toe.

Magritte bleef gebonden aan zijn hermetische, thematische thematiek; hij sloot zich op in zijn eigenzinnigheid en bleef onbewogen midden de opeenstapeling van stenen, stoelen, wolken, pijpen en tafelpoten.

D'Havé integendeel weigert de opsluiting. Hij toont. Hij maakt zichtbaar. Zijn associatieve beelden verklaren. Zijn titels zijn geen absurd spel van de geest. Hij klaagt aan. Hij schreeuwt en tiert en schreit. Hij stelt zichzelf in het midden van zijn boodschap. Hij weigert de valsheid van de onverschilligheid en de respectabiliteit van de kunstenaar. Elk nieuw schilderij schakelt zich in in een reeks.

 

Het ene schilderij vult het andere aan. Zijn wereld heeft een eigen logica, een onmiskenbare eenheid, een stelselmatig doorgezette oorspronkelijke authenticiteit. Elk nieuw doek is een nieuw experiment, een nieuwe poging om de techniek en de vaardigheid dienstbaar te maken aan de schepping van een steeds vollediger universum. Hij weigert elk zelfplagiaat. Hij zoekt een grotere zegging en een grotere volledigheid door nieuwe dimensies in zijn werk in te schakelen.

Door, op de achtergrond een aantal figuren in pleisterwitte of vaalgrijze tinten te schilderen, kan hij een nieuwe voorgrond en een nieuwe schilderkundige ruimte oproepen waarin de meer realistisch gekleurde wezens evolueren.

Het feit een geschilderde deur halfopen te houden of een scherm te schilderen tussen voor- en achtergrond, laat hem toe naast de uitgebeelde een andere, even werkelijke maar geheimzinniger wereld op te roepen die voor hem en ons gesloten blijft en elke raadselachtigheid bewaart.

Achter het scherm zien wij een voet, een hand, een schouder. Wij kunnen alles vermoeden: een gevecht, een koppeling, een onderonsje, een opgewonden gesprek.

Ook met schaduwen kan hij nieuwe dimensies oproepen. In het schilderij dat hij de "Boodschap aan Maria" heet, beeldt hij in het midden van een leefruimte een voorovergebogen vrouwelijke gestalte uit, miserabel, ingetogen wezen dat angstig is en beschroomd en tegelijk haar overgave betuigt voor iets waarvan zij het geheim niet kan doorgronden. Rondom haar hangt een ontzagwekkende en bezwerende schaduw, waarvan wij de oorsprong niet kennen. Een niet uitgebeelde figuur werpt zijn schaduw in het schilderij: een nieuwe, tot nogtoe ongekende ruimte wordt door D'Havé bruikbaar gemaakt.

 

                         Camille D'Havé 7  

 

Surréalist of niet, om het even, fantastisch is het werk van D'Havé zeker. Het sluit rechtstreeks aan bij de eigen Vlaamse bronnen van de schilderkunst van Bosch en Breughel en ook bij die van Rembrandt.

De problemen die hij stelt zijn de problemen van onze tijd, de eigentijdse problemen van een wereld die zich spoedt naar zijn ondergang.

De meest verwarrende composities behouden hun noodzaak en hun zegging. Alles is dienstbaar gemaakt aan een steeds schriller geworden verwoording.

"Merci d'être venu" heet een van zijn allerlaatste doeken. Een paar zoekt naar liefde en tederheid in de afgesloten ruimte van een binnenplein. Het huis is groot en onbewoonbaar, gevuld met de dieren uit Noach's ark

"Merci d'être venu".

Een paar is een gedeelde eenzaamheid. Misschien wordt door het schilderij een tweespraak met de buitenwereld mogelijk, en wordt een monoloog eindelijk een niet langer problematische dialoog.

 

 

Jo Verbrugghen 1971.